Dit voorjaar zocht ik angstig tussen mijn opkomende planten. Mijn inheems koninginnekruid (Eupatorium cannabinum), waar was ze? Dat lijkt misschien wat overdreven, maar ik heb veel moeite gedaan om haar in de tuin te krijgen. Jarenlang zocht ik (bio) kwekers af, maar steeds was ze uitverkocht of niet verkrijgbaar, of een uitheemse versie. Een zielig plantje dat ik bij een botanische tuin vandaan had overleefde de direct daaropvolgende hittegolf niet. Ik heb ook nog stekjes genomen, maar die verdwenen zonder enig spoor (ik verdenk de slakken!). Vorig jaar heb ik eindelijk een drietal planten weten te bemachtigen en in de tuin gezet. Ze leken prima te groeien… Dus waar waren ze nu? Was het omdat mijn man er met zijn grote schuiten bovenop was gaan staan? Een paar weken later keek ik weer en, wonder boven wonder, daar kwamen kleine sprietjes op. Onopvallend tussen de rest. Een heel stuk breder dan ze eerder waren – hoera, ze zijn aangeslagen!
Maar waarom wilde ik nou per se dat inheemse koninginnekruid? Ze was moeilijk te vinden, stelt eisen (zoals het een koningin betaamt) en kan flink woekeren via haar wortels en haar zaad. En dat terwijl er prachtige uitheemse soorten zijn. Juist het zien van inheems koninginnekruid maakt me blij, omdat ik weet hoeveel insecten erop af kunnen komen. Echt een bom voor biodiversiteit. Maar, hoor ik nu iedereen denken die een uitheemse soort in de tuin heeft, ook bij mij zitten de bloemen altijd vól met insecten. Hoezo is mijn uitheemse soort ineens slecht?
En dat is gelijk waar ik heen wil. Nee, een uitheemse soort is niet per se slecht. De uitheemse koninginnekruid-(of leverkruid-)soorten kunnen bijvoorbeeld een rol spelen in de biodiversiteit in de tuin. Ik raad sommige soorten zelfs regelmatig aan als alternatief voor de inheemse. Wat beter is, inheems of uitheems, is niet zo zwart-wit. Maar er zitten wel kanttekeningen aan.
Eerst moet ik even muggenziften. Want wat is inheems? Meestal wordt daarvoor gekeken of de plant ten tijde van een specifiek punt in de geschiedenis als een wilde plant hier in Nederland voorkwam. Dat punt ligt vaak ergens na de laatste ijstijd en vóór de eerste agricultuur. Zijn ze daarna, maar vóór 1500 (of 1492, afhankelijk van wie je het vraagt) deel gaan uitmaken van onze natuur, dan noem je dat archeofyten – hoewel die planten vaak ook tot inheems gerekend worden – en soorten van ná 1492/1500 zijn neofyten of ingeburgerde planten. Korenbloem (Centaurea cyanus) is bijvoorbeeld een archeofyt en middelste teunisbloem (Oenothera biennis) is in de 17e eeuw in Nederland ingeburgerd en dus een neofyt.
Om het nog ingewikkelder te maken: of een plant ergens van nature voorkomt stopt niet bij politieke grenzen. Gele hoornpapaver (Glaucium flavum) komt bijvoorbeeld alleen voor aan de kust en tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata) komt van nature wel in Oost- en Zuid-Nederland voor, maar niet in Noord-Holland. Zo’n plant wordt dan niet-streekeigen genoemd. Dan is er nog autochtoon: dat gaat over het DNA van planten. Autochtone planten hebben DNA dat specifiek is voor een regio. Een eenstijlige meidoorn (C. crataegus) uit Siberië heeft bijvoorbeeld ander DNA dan een eenstijlige meidoorn in onze duinen, en zal ook op net even andere omstandigheden gespecialiseerd zijn.
Wat is dan uitheems? Of exoot? Beide woorden worden gebruikt voor planten die hier na 1492/1500 zijn geïntroduceerd. Als die plant zich hier in de natuur heeft gevestigd, dan is het een neofyt. Is de neofyt dan ook nog schadelijk voor de natuur, bijvoorbeeld door inheemse planten te verdrukken? Dan is het een invasieve exoot. Er is een Europese Unielijst die bepaald dat bepaalde soorten daarom onder andere niet meer verhandeld worden, zoals de Japanse duizendknoop (Reynoutria japonica). Dat zijn dus uitheemse soorten die duidelijk ‘slecht’ zijn. Rimpelroos, Rosa rugosa, gedraagt zich in ons land invasief maar staat (nog) niet op die lijst, omdat die plant wel insecten trekt en veel wordt aangeplant door gemeenten. Of die dus ‘slecht’ is, is een discussie. Maar er zijn ook allerlei exoten of uitheemse planten, die zich niet in de natuur uitzaaien of daar problemen vormen. De meeste soorten gedragen zich zelfs prima. En nu kunnen we – eindelijk – kijken naar wat die uitheemse soorten voor onze biodiversiteit kunnen betekenen.
In 2017 kwam een interessant artikel [1] naar buiten over Ketelbroek, het eerste voedselbos van Nederland. Onderzoekers verbonden aan hogeschool Van Hall Larenstein vergeleken de aantallen en soorten broedvogels, macronachtvlinders en loopkevers die ze in dat voedselbos telden, met wat ze vonden in een nabijgelegen natuurgebied: De Bruuk, een combinatie van nat bos en bloemrijk grasland (specifiek hooi- en blauwgrasland). De soortenrijkdom en absolute aantallen bleken ongeveer gelijk, maar met weinig overlap in soorten.
Ketelbroek laat dus zien dat ook uitheemse planten nuttig kunnen zijn. De Radboud Universiteit becijferde in 2019 dat voedselbossen in Nederland voor gemiddeld 18,9% uit inheemse soorten bestaan en ik verwacht dat ook Ketelbroek daar ergens zal vallen. Die soortenrijkdom zit ‘m, vermoed ik, in dat voedselbossen vaak een grote variatie aan soorten hebben, en ook het type landschap (op dat moment 7 jaar oud, dus heel wisselend in hoe dicht en hoog de beplanting is) speelde vast een rol.
Wat ik zelf wel jammer vind, is dat dit onderzoek ook gebruikt wordt om te zeggen (onder andere door sommige voedselbosbouwers) dat er dus weinig verschil is in inheemse of uitheemse beplanting. Dát meten de onderzoekers hier niet, of in ieder geval niet voldoende. Broedvogels en loopkevers zijn bijvoorbeeld veel meer afhankelijk van bepaalde omstandigheden, dan van hele specifieke planten. Of een meidoorn inheems of uitheems is zal een kneu bijvoorbeeld niet zo veel uitmaken, als het maar een lekker dicht stekelbosje vormt om in te nestelen en er zaden zijn om te eten. Die macronachtvlinders zijn interessanter voor dit statement: die zijn kieskeurig qua specifieke planten, vooral voor hun rupsen. De onderzoekers vermelden bijvoorbeeld dat ze in Ketelbroek onder andere relatief veel soorten vonden die afhankelijk zijn van cultuurlandschap, waaronder de ernstig bedreigde fruitboomdwergspanner. Maar zonder een lijst of onderverdeling van de (daarnaast) gevonden macronachtvlinders zegt het nog niet zo veel over het aandeel van algemene of zeldzame soorten en van meer generalistische of meer specialistische (kieskeuriger) soorten. Ik verwacht bijvoorbeeld meer zeldzame en specialistische soorten in De Bruuk, waar bijvoorbeeld het zeldzame blauwgrasland in voorkomt. Daarom vind ik niet dat je kunt stellen dat er, op basis van dit onderzoek, weinig verschil in inheemse of uitheemse beplanting bestaat.
Wie uitheems koninginnekruid/leverkruid in de tuin heeft staan, heeft vast wel eens gezien hoe veel insecten gebruik maken van de bloemen. ‘Het is een misverstand om te denken dat alleen
inheemse soorten goed zijn voor de biodiversiteit,’ stelt de brochure ‘Biodiversiteit in tuin en plantsoen’ uit 2010 van De Groene Stad e.a. [2]. Die laat voor allerlei bloeiende planten zien hoe geliefd die zijn bij vogels en bijen, vlinders, hommels en ‘diversen’, waarmee o.a. (zweef)vliegen en kevers worden bedoeld. Onder ‘bijen’ gooit de brochure wilde en honingbijen op één hoop – iets dat tot een paar jaar geleden vrij standaard was. In Nederland is de honingbij zelfs gekozen als boegbeeld van de biodiversiteit. Maar zijn honingbijen een goede representatie? Vertekenen ze het beeld bij bijen niet? Ze zijn zeer generalistisch, oftewel, niet kieskeurig in de bloemen die ze bezoeken, terwijl veel van onze wilde bijen specifieke soorten nodig hebben om nieuwe generaties groot te brengen. (Dag)vlinders drinken ook op allerlei bloemen nectar, maar hun keuze in rupsenplanten is vaak beperkt. Sterker nog, bloembezoekers worden wel de knuffels van de insectenwereld genoemd: ze zijn opvallend, leuk om te zien, vreten niet aan onze planten (en zijn daarom eerder geliefd) en zijn relatief makkelijk te tellen en te herkennen. Maar als je alleen kijkt naar wat er op de bloemen landt, dan mis je een belangrijk deel van het plaatje.
De laatste jaren komen er dan ook veel meer onderzoeken die breder kijken dan dat. Een uitspringer is het afstudeeronderzoek van Maarten Immerzeel van 2018 [3], ook van Van Hall Larenstein, die voor Buro Bakker Adviesburo gericht zocht naar plantparasieten. Denk daarbij aan keverlarven, bladwesplarven, rupsen van microvlinders en dag- en nachtvlinders, mijten en muggen- en vliegenlarven. Die laatste twee groepen zijn overigens herbivoren, dus niet het soort dat rond je barbecuevlees of ’s nachts in je slaapkamer rondhangt. Ze maken vaak gallen in planten en zijn over het algemeen veel minder zichtbaar. Van een deel weten we niet eens hoe ze eruit zien, alleen hun gallen zijn bekend! Zo weinig aandacht krijgen deze soorten normaalgesproken, vandaar dat ik juist het onderzoek van Immerzeel zo interessant vind. Hij vergeleek dit soort plantparasieten in inheemse wilde plantenmengsels van zadenkwekerij Cruydt-Hoeck en met wat hij vond in verschillende ‘carnavalsmengsels’, dat wil zeggen: de vrolijke bloemenmengsels die je vaak in bermen ziet, maar die uit uitheemse soorten zoals Phacelia en incarnaartklaver (Trifolium incarnatum) bestaan. Immerzeel zag dat er in de inheemse mengsels gemiddeld drie keer zo veel plantparasieten voorkwamen als in de carnavalsmengsels. Zelfs de archeofyten (vóór 1492/1500 ingeburgerd) bevatten twee keer zo veel. En hij keek niet alleen naar absolute aantallen, maar ook het aandeel monofagen, oftewel specialisten (kieskeurige soorten). Op de inheemse planten kwamen gemiddeld vijf soorten monofagen voor, per uitheemse plant gemiddeld 0,2. Nu vinden wij tuiniers plantparasieten niet altijd even leuk, maar ze zijn een zeer belangrijke voedselbron voor allerlei andere insecten en grotere dieren, en dus een belangrijk deel van de voedselketen en de biodiversiteit. Overigens zul je merken dat inheemse planten vaak ook weinig van deze mee-eters te verduren hebben, omdat ze immers samen zijn geëvolueerd.
Immerzeels bevindingen sluiten aan bij een groot Europees data-onderzoek [4], waarin specifiek gekeken werd naar zogenaamde ‘microherbivoren’. Denk bladmindeerders, die van die tekeningen in je bladeren maken, gallenvormers, gatenboorders, mijten en bepaalde plantenschimmels. Dit onderzoek concludeerde dat inheemse niet-houtachtige planten gemiddeld 124% meer microherbivoren telden dan uitheemse planten, en 175% meer bij houtachtige planten. Uitheemse soorten die hier al langer dan tweehonderd jaar waren, kwamen meer overeen met het gemiddelde voor inheemse planten, maar de soorten die daarop voorkwamen waren vaker generalistisch.
Wat zegt dit alles voor tuinen? Daar komt een volgend groot project in het verhaal: ‘Plants for Bugs’. Voor dit project van de Royal Horticultural Society (RHS) werden tussen 2009 en 2013 allerlei data van insecten (specifiek bestuivers, plantbewoners en bodembewoners) verzameld in Britse tuinen. Mocht je een leuke tuinserie willen kijken en een Netflix-abonnement hebben, dan raad ik van harte ‘British Garden: Life and Death on Your Lawn’ aan. Hierin zie je dit soort onderzoek bij enkele ‘gemiddelde’ Engelse tuinen (enorm nog steeds, voor onze begrippen), die allemaal net even anders zijn, met praktische tips en met verrassende uitkomsten in welke effecten die tuinen hebben op de biodiversiteit.
De analyse van alle data loopt nog steeds, maar er zijn al meerdere conclusies naar buiten gebracht. En hier wordt het pas echt interessant voor ons tuiniers: Plants for Bugs zag dat ‘De beste manier om ongewervelden in tuinen te steunen en om een gezond ecosysteem te promoten, is om beplanting te kiezen met een voorkeur voor […] inheemse planten en om dichte vegetatie na te streven, terwijl je delen grond onbedekt laat.’
Grappig genoeg zagen zij ook een patroon in wát voor uitheemse planten je kiest, of die ‘near-native’ (letterlijk ‘dichtbij inheems’) of exotisch zijn. Met near-native worden voor ons planten uit het noordelijk halfrond bedoeld, en met exotische die van het zuidelijk halfrond. Het zijn termen die nu veel vaker in (globale) onderzoeken voorbij komen en met eenzelfde conclusie als de RHS: als ze near-native zijn, trekken ze vaker inheemse insecten. Als ze exotisch zijn, meestal zeer weinig tot geen.
Plants for Bugs zag daarnaast vooral de bodembewonende insecten toenemen naarmate er meer inheemse planten groeiden, maar voor bloembezoekers zagen ze dat variatie aan bloemen uit verschillende landen en regio’s positief werkte, omdat dat het bloeiseizoen in een tuin kan verlengen. Plants for Bugs: ‘Het belangrijkste is dat welke beplanting dan ook in een tuin beter is dan geen enkele voor ongewervelden en biodiversiteit van plantenherkomst in een tuin is een kracht, geen zwakte.’
Uitheemse koninginnekruiden of leverkruiden zijn dan wel vaak goede planten voor bloembezoekers, maar de reden dat ik specifiek het inheemse koninginnekruid zocht, is juist omdat die ook veel plantparasieten van eten voorziet. Kom maar op met al je nacht-, macro- en microvlinderlarven, je gallenmakers, je bladmineerders, etc. Maar omdat ze woekert en kieskeurig is weet ik ook dat deze plant niet voor iedere tuinier of tuin geschikt is. Een alternatief die ik daarom vaak aanraad is bijvoorbeeld de donkerbladige Eupatorium rugosum ‘Chocolate’: naast dat deze niet woekert en ook in wat drogere zon of halfschaduw kan staan (de inheemse wil specifiek vochtige grond), trekt ze nog steeds enorm veel bloembezoekers. Bovendien bloeit ze pas in september en oktober, ver na het inheemse koninginnekruid, een echte zomerbloeier. Juist met die late bloei voegt ze nut toe aan tuinen voor de biodiversiteit: de laatste atalanta’s kunnen er bijtanken voor ze wegtrekken naar het zuiden of zich voor de winter verstoppen, de laatste zweefvliegen drinken er voor ze sterven en akkerhommel-koninginnen en lieveheersbeestjes vinden er nectar voor ze een schuilplek zoeken. Inheems waar het kan, aangevuld met uitheems – dat is mijn persoonlijke motto.
Bronnen:
[1] Breidenbach e.a. (2017): Voedselbossen van belang voor biodiversiteit. Verschenen in tijdschrift De Levende Natuur. Link: https://natuurtijdschriften.nl/pub/1010567
[2] De Groene Stad (2010): Brochure ‘Biodiversiteit in tuin en plantsoen’. Link: file://192.168.2.20/ige/Documentatie/biodiversiteit%20in%20tuin%20en%20plantsoen.pdf
[3] Immerzeel (2017): Kruidenrijke zaadmengsels. Link: https://hbo-kennisbank.nl/details/samhao:oai:www.greeni.nl:VBS:2:144915
[4] Schulte ea (2025): Non-Native Plants Attain Native Levels of Microherbivory Richness With Time and Range Expansion. Link: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/ele.70247
[5] Royal Horticultural Society RHS: Plants for bugs.
Link: https://www.rhs.org.uk/science/conservation-biodiversity/plants-for-bugs